Ramlah bint Abi Soefjan.
Uit: "SAHABA" door AbdulWahid Hamid. (p.237-243)

Aboe Soefjan ibn Harb kon zich niet voorstellen dat er ook maar iemand was onder de Qoerasj die een uitdaging met hem durfde aan te gaan of zijn gezag durfde te trotseren of hem durfde tegen te spreken. Hij was daarom niet voor niets de sayyid of het stadshoofd van Makkah die gehoorzaamd en gevold diende te worden. Zijn dochter, Ramlah, bekend als Oem Habiebah, echter, waagde zijn gezag te trotseren toen zij zich van de afgodenaanbiddende manieren afzette. Samen met haar man, Oebaydoellah ibn Jash, stopte ze al haar geloof in Allah alleen en accepteerde de boodschap van Zijn profeet, Mohammad ibn 'Abdullah (salla Allahu 'alayhi wa salaam). Met alle mogelijke middelen probeerde Aboe Soefjan zijn dochter en haar echtgenoot terug te brengen naar zijn religie en de religie van hun voorvaderen. Maar hij slaagde hierin niet. Het geloof wat zich in het hart van Ramlah had gevestigd was te sterk om door de stormen van Aboe Soefjans woede ontwordeld te worden. Aboe Soefjan bleef diep bezorgd en ongerust over zijn dochters toetreden tot de islam. Hij wist niet hoe hij de Qoerasj nog in de ogen kon kijken nadat zij tegen hem in was gegaan en hij duidelijk niet bij machte was haar tegen te houden om Mohammad (salla Allahu 'alayhi wa salaam) te volgen. Maar toen de Qoerasj realiseerden dat Aboe Soefjan zelf woest was op Ramlah en haar echtgenoot, werden zij hierdoor aangemoedigd hen hardhandig te behandelen. Ze lieten hun volle woede door martelingen zodanig op hen vrij dat leven in Makkah ondraagelijk werd. In het vijde jaar van de missie, gaf de Profeet (salla Allahu 'alayhi wa salaam) toestemming aan de moslims om naar Abbessynië te emigreren. Ramlah, haar dochtertje Habiebah en haar echtgenoot waren degene die vertrokken.

Aboe Soefjan en de leiders van de Qoerasj vonden het moeilijk dat een groep moslims uit hun martelende handen waren geglipt en nu van vrijheid, om hun geloof te belijden en te praktiseren in het land van de Negus, genoot. Daarom zonden zij afgezanten naar de Negus om hun uitlevering te vragen. De afgezanten trachtten de gedachten van de Negus te vergiftigen door hem tegen de moslims op te zetten, maar na het bestuderen van het geloof van de moslims en het luisteren naar recitaties van de Qoeraan besloot de Negus: "Wat is geopenbaard aan jullie profeet Mohammad (salla Allahu 'alayhi wa salaam) en hetgeen Jezus ('alayhi salaam), de zoon van Maria predikte, komt van dezelfde bron." De Negus zelf sprak zijn geloof voor de ene God en het profeetschap van Mohammad (salla Allahu 'alayhi wa salaam) uit. Tevens sprak hij zijn vastberadenheid uit om de islamitische moehadjirien te beschermen. De lange tocht van ontberingen en tegenspoed leidde uiteindelijk tot de oase van kalmte. Zo ook voor Oem Habiebah. Maar ze wist niet dat deze nieuwe vrijheid waarvan zij zo genoot en de vrede die haar omringde haar later uiteen zou vallen. Zij zou worden getest op een zeer zware en hartverscheurende manier. Op een nacht, is er overgeleverd, terwijl Oem Habiebah sliep, kreeg zij een visioen waarin zij haar echtgenoot in het midden van een ondoorgrondelijke oceaan zag, overspeld door golf na golf van duisternis. Hij bevond zich in een uiterst gevaarlijke situatie. Ze werd wakker, geschrokken. Maar ze wilde haar man noch iemand anders vertellen over hetgeen zij had gezien.

De dag na die onheilspellende nacht was nog niet voorbij of Oebaydoellah ibn Jahsh kondigde aan dat hij de islam verwierp en gaf te kennen het christendom aangenomen te hebben. Wat een verschrikkelijke tegenslag! Ramlahs kalmte was verdwenen. Zij had dit niet van haar echtgenoot verwacht die haar onmiddelijk voor de keus stelde van hem te scheiden of het christendom aan te nemen. Oem Habiebah had drie mogelijkheden. Ze kon of bij haar echtgenoot blijven en zijn uitnodiging tot het christendom aannemen waardoor zij in dat geval afvallige zou worden en - God vergoedde - schandelijkheid in deze wereld en in het hiernamaals zou verdienen. Dit was iets waar ze besloot nooit toe over te gaan zelfs al werd ze aan de zwaarste folteringen onderworpen. Of, ze kon naar haar vaders huis in Makkah teruggaan maar ze wist dat hij een op shirk gebaseerde stad bestuurde en dat zij gedwongen zou zijn onder zijn hoede te leven, onderworpen en haar geloof zou worden onderdrukt. Of ze zou alleen kunnen blijven in het land van de Negus, als een misplaatste vluchtelinge zonder land, zonder gezin en zonder ondersteuning. Ze maakte de beslissing die Allah (Subhana wa Ta'ala) het meest zou behagen. Ze besloot in Abbessynië te blijven tot de tijd dat Allah (Subhana wa Ta'ala) haar verlichting zou schenken. Ze scheidde van haar echtgenoot die kort nadat hij christen was geworden, overleed. Hij had zichzelf overgegeven aan de wijnhandel en het consumeren van alcohol, de 'moeder van het kwaad'. Dit heeft ongetwijfeld geleid tot zijn vernietiging. Oem Habiebah bleef ongeveer tien jaar in Abbessynië. Aan het einde van deze periode kwam er verlichting en geluk voor haar. Het kwam uit onverwachte hoek.

Op een heldere en vroege ochtend klopte er iemand hard op haar deur. Het was Abrahah, de bijzonder vrouwelijke bediende van de Negus. Abrahah was overstelpt van geluk terwijl ze Oem Habiebah groette en zei:
"De Negus geeft zijn groet en zegt dat Mohammad, de boodschapper van Allah (salla Allahu 'alayhi wa salaam), je wil trouwen en hij heeft een brief gezonden waarin hij hem als zijn wakil aanwijst om het huwelijkscontract tussen jou en hem te bevestigen. Als je het accepteert, dien je een wakil aan te wijzen van jouw kant." Oem Habiebah was in de wolken van geluk. Ze riep tegen zichzelf: "Allah heeft verheugende berichen gezonden, Allah heeft verheugende berichten gezonden." Ze deed haar juwelen af, haar ketting en armbanden, en gaf ze aan Abrahah. Ook deed zij haar ringen af en gaf ook deze aan haar. En zelfs als ze alle schatten op aarde bezat, had ze ook deze aan Abrahah gegeven in haar moment van pure blijdschap. Uiteindelijk zei ze tegen Abrahah: "Ik wijs Khalid ibn Saïd ibn al-Aas als wakil voor mij aan want hij is degene die mij het meest nabij staat." In het paleis van de Negus, te midden van prachtige tuinen en luxe gewassen en in één van de meest luxueus gedecoreerde kostbaar gemeubileerde en fel verlichte hallen, kwam de groep moslims die in Abbessynië woonden samen. Hieronder waren Dja'far ibn Abi Talib, Khalid ibn Saïd, 'Abdullah bn Hoedafah as-Sahmi en anderen. Ze kwamen samen om het huwelijk bij te wonen van Oem Habiebah, de dochter van Aboe Soefjan en Mohammed, de boodschapper van Allah (salla Allahu 'alayhi wa salaam). Toen de huwelijksceremonie klaar was, sprak de Negus de menigte toe: "Ik prijs Allah, de Heilige, en ik getuig dat er geen god is dan Allah en dat Mohammad (salla Allahu 'alayhi wa salaam) Zijn dienaar en boodschapper is en dat Hij goed nieuws zond aan Jezus, zoon van Maria. De boodschapper (salla Allahu 'alayhi wa salaam) heeft mij gevraagd het huwelijkscontract tussen hem en Oem Habiebah, de dochter van Aboe Soefjan te sluiten. Ik stem toe in hetgeen hij mij verzocht heeft en uit naam van hem schenk ik haar een mahr of bruidsschat van vierhonderd gouden dinars." Hij overhandigde het bedrag aan Khalid ibn Saïd die opstond en zei: "Alle lof is voor Allah. Ik prijs Hem en vraag Zijn hulp en vergeving en ik keer mij tot Hem in berouw. Ik getuig dat Mohammed (salla Allahu 'alayhi wa salaam) Zijn dienaar en boodschapper is die Hij heeft gezonden met de religie en leiding en waarheid zodat het zal zegevieren over alle vormen van religie ook al gaat dit tegen de wil van de ongelovigen in. Ik stem toe in hetgeen de Profeet (salla Allahu 'alayhi wa salaam) heeft verzocht en ben wakil voor Oem Habiebah, de dochter van Aboe Soefjan. Moge Allah Zijn boodschapper en diens vrouw zegenen. Felicitaties voor Oem Habiebah voor de goedheid waarmee Allah haar zegent."

Khalid nam de mahr aan en gaf deze aan Oem Habiebah. Daarop gingen de sahabah staan en maakten zich klaar te vertrekken maar de Negus zei: "Ga zitten, want het is het gebruik van de profeten om voedsel te serveren op bruiloften." De menigte was verheugd op het hof van de Negus waar zij allen weer opnieuw plaatsnamen om te eten en de verblijde gebeurtenissen te vieren. Vooral Oem Habiebah kon nauwelijks haar geluk geloven en vertelde later hoe graag ze haar geluk wilde delen: "Toen ik het geld van de mahr ontving, zond ik vijftig mithqals aan goud naar Abrahah die mij het goede nieuws had verteld en ik zei: "Ik gaf je al wat ik had toen jij mij het goede nieuws kwam vertellen, maar ik had geen geld." Kort erna kwam Abrahah naar mij toe en gaf het goud terug, ook haalde ze een doos tevoorschijn met daarin de ketting die ik haar had gegeven. Ze gaf het aan me terug en zei: "De koning beval mij niets van u aan te nemen en hij heeft de vrouwen van zijn huishouden bevolen u giften van parfum te overhandigen." De volgende dag bracht ze mij amber, saffraan en aloë en zei: "Ik wil je om een gunst vragen." Ik vroeg: "Wat dan?" Ze zei: "Ik ben tot de islam toegetreden en volg nu de religie van Mohammad (salla Allahu 'alayhi wa salaam). Breng hem op de hoogte van mijn vredesgroet en laat hem weten dat ik in Allah en Zijn profeet (salla Allahu 'alayhi wa salaam) geloof. Alsjeblieft, vergeet dit niet." Daarna hielp ze mij mijzelf klaar te maken voor mijn reis naar de Profeet (salla Allahu 'alayhi wa salaam). Toen ik de Profeet (salla Allahu 'alayhi wa salaam) ontmoette, vertelde ik hem uitgebreid over het huwelijksfeest en over mijn relatie met Abrahah. Ik vertelde hem dat zij moslim was geworden en bracht hem op de hooogte van haar vredesgroet. Hij was vervuld van geluk over dit nieuws en zei: "Wa 'alayhas-salam wa rahmatoellahi wa barakatoehoe, en voor haar ook vrede en genade en zegeningen van Allah."

Einde.