1. Allah heeft gegarandeerd om deze Qur’aan Zelf te bewaren. Allah zegt (interpretatie van de betekenis):

Voorwaar, Wij hebben deze vermaning (de Qur’aan) nedergezonden en voorzeker Wij zullen er de Waker over zijn. {al-Hijr 15:9}

Ibn Jarir al-Tabari heeft gezegd in zijn Tafsir 14/8:

Allah zegt: Wij hebben deze vermaning, met andere woorden de Qur’aan, nedergezonden en We zullen de Qur’aan beschermen tegen het toevoegen van iets vals’ dat er geen onderdeel van is of het wegnemen van iets wat er een onderdeel van is, of dat nou te maken heeft met regels, hudood bestraffingen of kwesties die te maken hebben met erven.

Al-Sa’di zegt in zijn Tafsir (p. 696):

Wij hebben de Qur’aan neergezonden waarin vermelding is van alle kwesties en van duidelijk bewijs en waarin Wij degenen herinneren die herinnerd willen worden.

“en voorzeker Wij zullen er de Waker over zijn” betekent: wanneer het geopenbaard wordt en nadat het geopenbaard is. Wanneer het geopenbaard wordt, beschermen Wij het voor het knoeien van elke vervloekte duivel en nadat het geopenbaard is, heeft Allah het in het hart van Zijn Boodschapper gepland. Allah beschermde de woorden tegen veranderingen en tegen het toevoegen of wegnemen van iets ervan of tegen het verdraaien van de betekenissen ervan. Dus niemand kan pogen om de betekenissen te verdraaien want Allah zal iemand leiden om de waarheid van de Qur’aan uit te leggen. Dit is één van de grootste tekenen van Allah en Zijn zegening aan Zijn gelovige slaven. Een ander aspect van deze bescherming is dat Allah de mensen van de Qur’aan tegen hun vijanden beschermt en geen vijand kan hen overweldigen en uitschakelen.

De Qur’aan werd in fases aan de Profeet (salla Allahu alaihi wa salaam) geopenbaard over een periode van drieëntwintig jaar. Allah zegt (interpretatie van de betekenis):

En Wij hebben u de Koran verduidelijkt opdat gij hem geleidelijk aan de mensheid mocht verkondigen en Wij hebben hem in gedeelten gezonden. {al-Isra’ 17:106}

Al-Sa’di (rahimu Allah) heeft gezegd:

Dit betekent: Wij hebben deze Qur’aan in gedeelten geopenbaard om onderscheid te maken tussen leiding en misleiding, waarheid en valsheid.

“opdat gij hem geleidelijk aan de mensheid mocht verkondigen” betekent: langzaam zodat ze erover na kunnen denken en over de betekenissen kunnen denken en de verschillende takken van kennis die het bevat kunnen begrijpen.

“en Wij hebben hem in gedeelten gezonden” betekent: geleidelijk, over een periode van drieëntwintig jaar.

Tafsir al-Sa’di, p. 760


2. Geletterdheid was niet wijdverspreid onder de Arabieren. Allah beschreef hen in dergelijke termen toen Hij zei (interpretatie van de betekenis):

Hij is het Die onder de ongeletterden een boodschapper heeft verwekt. {al-Jumu’ah 62:2}

Ze leerden de Qur’aan uit het hoofd en een aantal van hen schreef sommige verzen of surah’s op dierenhuiden, dunne witte stenen en dat soort dingen.


3. In het begin verbood de Profeet (salla Allahu alaihi wa salaam) het opschrijven van iets anders dan de QUr’aan en hij verbood hen een tijdje om zijn woorden op te schrijven zodat de Sahaabah zich zouden richten op het memoriseren en opschrijven van de Qur’aan en zodat de woorden van de Profeet (salla Allahu alaihi wa salaam) niet verward zouden worden met de woorden van Allah en zodat de Qur’aan beschermd was tegen het toevoegen of wegnemen van iets.


4. De Profeet (salla Allahu alaihi wa salaam) stelde een groep van zijn metgezellen aan die betrouwbaar en kennisrijk waren, om de openbaring op te schrijven. In hun biografieën zijn ze bekend als degenen die de Openbaring neerschreven, zoals de vier Kaliefen: ‘Abd-Allah ibn ‘Amr ibn al-‘Aas, Mu’aawiyah ibn Abi Sufyaan, Zayd ibn Thaabir en anderen – moge Allah tevreden met hen allen zijn.


5. De Qur’aan in zeven dialecten geopenbaard zoals is overgeleverd in de sahih hadith van ‘Umar ibn al-Khattaab (radiAllahu anhu) van de Profeet (salla Allahu alaihi wa salaam). Dit is overgeleverd door al-Bukhaari (2287) en Muslim (818); dit waren de dialecten van de Arabieren die bekend stonden om hun welsprekendheid.


6. De Qur’aan werd verder bewaard in de harten van de Sahaabah die het gememoriseerd hadden en op de huiden en andere materialen tot de tijd van de kalief Abu Bakr al-Siddiq (radiAllahu anhu). Tijdens de Riddah-oorlogen werden veel van de Sahaabah die de Qur’aan hadden gememoriseerd vermoord en Abu Bakr (radiAllahu anhu) was bang dat de Qur’aan verloren zou gaan. Hij overlegde daarom met de oudere Sahaabah over het compileren van de Qur’aan in een enkel boek zodat het bewaard zou blijven en niet verloren zou gaan. Hij vertrouwde deze missie toe aan de leider van degene die memoriseerden, Zayd ibn Thaabit (radiAllahu anhu). Al-Bukhaari heeft in zijn Sahih (4986) overgeleverd dat Zayd ibn Thaabit (radiAllahu anhu) zei:

Abu Bakr al-Siddiq riep me op om te komen toen de mensen van al-Yamaamah vermoord waren [een aantal van de Metgezellen van de Profeet die gevochten hadden tegen de valse profeet Musaylimah]. Ik ging naar hen toe en trof ‘Umar ibn al-Khattaab zittend bij hem aan. Abu Bakr zei toen (tegen mij): “’Umar is naar me toegekomen en heeft gezegd: ‘Er waren veel slachtoffers onder de Qurra’ van de Qur’aan (degenen die de Qur’aan uit het hoofd kenden) op de dag van de strijd van al-Yamaamah en ik ben bang dat er meer slachtoffers zullen vallen onder de Qurra’ op andere slagvelden, waardoor een groot deel van de Qur’aan verloren kan gaan. Daarin stel ik voor dat jij (Abu Bakr) opdraagt om de Qur’aan te verzamelen.” Ik zei tegen ‘Umar: “Hoe kun je iets doen wat de Boodschapper van Allah (salla Allahu alaihi wa salaam) niet deed?” ‘Umar zei: “Bij Allah, dit is iets goeds.” ‘Umar bleef me aansporen om dit voorstel aan te nemen totdat Allah mijn hart opende en ik me het goede in dit idee begon te realiseren wat ‘Umar zich gerealiseerd had.” Toen zei Abu Bakr (tegen me): “Jij bent een wijze jonge man en we hebben geen enkele verdenking over jou en je schreef altijd de Goddelijke Inspiratie op voor de Boodschapper van Allah (salla Allahu alaihi wa salaam). Zoek dus naar (gedeeltelijke teksten van) de Qur’aan en voeg het samen in één boek.” Bij Allah, als ze me opgedragen hadden om één van de bergen te verplaatsen, zou het niet zwaarder voor me zijn geweest van deze opdracht om de Qur’aan samen te stellen. Toen zei ik (tegen Abu Bakr): “Hoe kun je iets doen wat de Boodschapper van Allah (salla Allahu alaihi wa salaam) niet deed?” Abu Bakr antwoordde: “Bij Allah, het is iets goeds.” Abu Bakr bleef me aansporen om zijn idee aan te nemen totdat Allah mijn hart opende voor datgene waar Hij de harten van Abu Bakr en ‘Umar voor geopend had. Ik begon dus te zoeken naar de Qur’aan en het te verzamelen van palmstelen, dunne witte stenen (waar het op geschreven was) en ook van de mensen die het uit het hoofd kenden, totdat ik het laatste vers van Soerat al-Tawbah vond bij Abu Khuzaymah al-Ansaari en ik dit bij niemand anders dan bij hem vond. Dit vers is (interpretatie van de betekenis):

Voorzeker, een boodschapper is uit uw midden tot u gekomen; het is hard voor hem wat u pijn doet… {al-Tawbah 9:128} tot het eind van Soerat Baraa’ah (al-Tawbah).

Toen bleef de complete tekst van de Qur’aan bij Abu Bakr totdat hij stierf, daarna bij ‘Umar tot het einde van zijn leven en toen bij Hafsah, de dochter van ‘Umar (radiAllahu anhu).

De Sahaabi Zayd ibn Thaabit (radiAllahu anhu) kende de Qur’aan uit zijn hoofd maar hij was methodisch in zijn bevestiging; hij zou geen vers neerschrijven totdat twee van de Sahaabah getuigden dat ze het gehoord hadden van de Boodschapper van Allah (salla Allahu alaihi wa salaam).

Deze Mus-haf (geschreven kopie van de Qur’aan) bleef in handen van de kaliefen tot de tijd van de rechtgeleide Kalief ‘Uthmaan ibn ‘Affaan (radiAllahu anhu). De Sahaabah (radiAllahu anhum) waren over verschillende landen verspreid en ze reciteerden de Qur’aan zoals zij het gehoord hadden van de zeven recitaties van de Boodschapper van Allah (salla Allahu alaihi wa salaam) en al hun studenten reciteerden zoals zij het gehoord hadden van hun shaykh. Als een student iemand hoorde reciteren op een manier die anders was dan wat hij kende, dan zou hij hem veroordelen en beschuldigen van het maken van een fout en dit ging door totdat de Sahaabah vreesden dat er fitnah zou zijn tussen de Taabi’een en volgende generaties. Daarom dachten ze dat ze de mensen moesten verenigen in het volgen van één recitatie die het dialect van de Quraysh was waarin de Qur’aan het eerst geopenbaard was, dit om enige geschillen te verdrijven en de kwestie op te lossen. ‘Uthmaan (radiAllahu anhu) werd geraadpleegd en hij stemde in met deze mening.

Al-Bukhaari heeft in zijn Sahih (4988) overgeleverd van Anas ibn Maalik dat Hudhayfah ibn al-Yamaan naar ‘Uthmaan kwam toen de mensen van Shaam (Syrië) en de mensen van Irak oorlog voerden om Armenië en Azerbeidzjan te veroveren. Hudhayfah werd gealarmeerd door hun geschillen in de recitatie van de Qur’aan, dus zei hij tegen ‘Uthmaan: “O Amir al-Mu’mineen! Red deze natie voordat ze twisten over het Boek (de Qur’aan) aangezien de joden en christenen het eerder deden.” Dus zond ‘Uthmaan een boodschap naar Hafsah waarin stond: “Stuur ons een manuscript van de Qur’aan zodat we kopieën van de Mus-haf maken en we zullen het manuscript aan je terugsturen.”

Hafsah zond het naar ‘Uthmaan. Toen droeg ‘Uthmaan Zayd ibn Thaabit, ‘Abdullah ibn al-Zubayr, Sa’eed ibn al-‘Aas en ‘Abd al-Rahmaan ibn Haarith ibn Hishaam op om het manuscript te kopiëren. ‘Uthmaan zei tegen de drie mannen die van de Quraysh (de stam waar de Profeet (salla Allahu alaihi wa salaam) toe behoorde): “in het geval dat jullie het oneens zijn met Zayd ubn Thaabit op enig punt in de Qur’aan, schrijf het dan in het dialect van de Quraysh want de Qur’aan was in hun taal geopenbaard.” Dit deden ze en toen ze vele kopieën hadden geschreven, gaf ‘Uthmaan het originele manuscript terug aan Hafsah.

‘Uthmaan zond elke moslimprovincie een kopie van wat ze gekopieerd hadden en gaf opdracht om al de andere Qur’anische materialen, ofwel geschreven in gedeeltelijke manuscripten of gehele kopieën, te verbranden.

Ibn Shihaab heeft gezegd: Khaarijah ibn Zayd ibn Thaabit vertelde me dat hij Zayd ubn Thaabit had horen zeggen: “Toen we de kopieën van de Mus-haf maakten, miste ik een vers van al-Ahzaab die ik de Boodschapper van Allah (salla Allahu alaihi wa salaam) altijd hoorde reciteren. Dus zochten we ernaar en we vonden het bij Khuzaymah ibn Thaabit al-Ansaari. (Het vers luidde Er zijn mensen onder de gelovigen die trouw gebleven zijn aan het verbond dat zij met Allah hebben gesloten. {al-Ahzaab 33:23 – interpretatie van de betekenis}. Dus zetten we het op zijn plaats in zijn soerah in de Mus-haf.”

Zo werd er een einde gemaakt aan de geschillen en de moslims werden verenigd. De Qur’aan werd bewaard en zal overgeleverd blijven van generatie op generatie en zal bewaard blijven in de harten van de mensen tot de Dag der Opstanding. Dit is hoe Allah Zijn Boek bewaard heeft, in overeenstemming met het vers waarin Hij zegt (interpretatie van de betekenis):

Voorwaar, Wij hebben deze vermaning (de Qur’aan) nedergezonden en voorzeker Wij zullen er de Waker over zijn. {al-Hijr 15:9}


En Allah weet het het beste.



source: islam-qa.com (vertaald vanuit engels)