Tafsir Ibn Kathir Surah As-Saffat Ayah 51 tot en met 57

Vertaald door abdelaziz ezhar

قَالَ قَائِلٌ مِّنْهُمْ إِنِّي كَانَ لِي قَرِينٌ

يَقُولُ أَئِنَّكَ لَمِنْ الْمُصَدِّقِينَ

أَئِذَا مِتْنَا وَكُنَّا تُرَابًا وَعِظَامًا أَئِنَّا لَمَدِينُونَ

قَالَ هَلْ أَنتُم مُّطَّلِعُونَ

فَاطَّلَعَ فَرَآهُ فِي سَوَاء الْجَحِيمِ

قَالَ تَاللَّهِ إِنْ كِدتَّ لَتُرْدِينِ

وَلَوْلَا نِعْمَةُ رَبِّي لَكُنتُ مِنَ الْمُحْضَرِينَ


51. Qala qa-ilun minhum innee kana lee qareenun
52. Yaqoolu a-innaka lamina almusaddiqeena
53. A-itha mitna wakunna turaban wa3ithaman a-inna lamadeenoona
54. Qala hal antum muttali3oona
55. Faittala3a faraahu fee sawa-i aljaheemi
56. Qala taAllahi in kidta laturdeeni
57. Walawla ni3matu rabbee lakuntu mina almuhdareena
[37: 51/57]
51. één van hun zal zeggen: "Ik had een metgezel,
52. Die placht te zeggen: "Bevestigt gij inderdaad, (de waarheid)
53. Dat wanneer wij dood zijn en tot stof en beenderen geworden, ons inderdaad wordt vergolden (beloning krijgen of straf)?"
54. (een stem zal zeggen) Hij zal vragen: "Wilt gij opzien (naar beneden kijken)?"
55. Dan zal hij kijken en hem in het midden van het Vuur zien.
56. Hij zal zeggen: "Bij Allah, U deed mij ook bijna te niet gaan."
57. "En ware het niet door de gunst van mijn Heer, dan zou ik ook tot hen behoren die daar aanwezig zijn


Het verhaal van de twee Israëlieten

Zij vermelden het verhaal van de twee mannen onder de kinderen van Israel (banu israel) die (zaken) partners waren en die in de betekenis van deze Ayah worden omvat. Abu Ja`far bin Jarir registreerde dat Furat bin Tha`labah Al-Bahrani zei wat betreft deze Ayah,

﴿إِنِّى كَانَ لِى قَرِينٌ﴾ (één van hun zei) Waarlijk: "Ik had een metgezel,

[innee kana lee qareenun]

Er waren twee mannen die (zaken) partners waren en zij hadden acht duizend Dinars verzameld. Één van hun had zijn eigen ambacht en de andere had dit niet. Degene die zijn eigen ambacht had zei tegen de ander, “Jij hebt geen ambacht, dus ik denk dat ik het geld zal verdelen met jou en dan gaat ieder zijn eigen weg.” Hij verliet hem. Toen kocht de man een huis voor duizend Dinars, dat van een overleden koning was. Hij riep zijn vriend en liet hem het huis zien, en zei, “Wat vind je van dit huis dat ik heb gekocht voor duizend Dinars?” hij zei, “het is ontzettend mooi.” Toen hij weg ging zei hij, “O Allaah, deze vriend van mij heeft dit huis gekocht voor duizend Dinars, ik vraag aan U één van de huizen van het paradijs (Jannah) — en hij gaf duizend Dinars weg in liefdadigheid (sadaqah).

Na een tijdje, trouwde de man die het huis had gekocht en gaf de vrouw duizend Dinars als bruidschat, en hij nodigde zijn vriend uit en bereide wat eten voor hem. Toen hij arriveerde zei hij tegen hem, “Ik ben getrouwd met deze vrouw en gaf haar Duizend dinars als bruidschat.” Hij antwoordde, “Dit is prachtig.” Toen hij weg ging zei hij, “O Allaah, mijn vriend is getrouwd met een vrouw en gaf haar een bruidschat van duizend Dinars, ik vraag U voor een vrouw die behoort tot de Al-Hur Al-`Iyn' — en hij gaf duizend Dinars weg in liefdadigheid (sadaqah).

Na een tijdje, Kocht de (getrouwde) man twee tuinen voor twee duizend Dinars, toen riep hij zijn vriend erbij, en liet hem de tuinen zien. De (getrouwde) man zei, “ik heb deze twee tuinen gekocht voor twee duizend Dinars.” Hij antwoordde, “Dit is prachtig.” Toen hij weg ging zei hij, “O Allaah. Mijn vriend heeft twee tuinen gekocht voor twee duizend Dinars, ik vraag aan U twee tuinen in het paradijs.-- en hij gaf twee duizend Dinars weg in liefdadigheid (sadaqah). Toen kwam een engel om hun zielen te pakken. Hij pakte degene die zijn geld had gegeven in liefdadigheid en plaatste hem in een huis die hij mooi vond. En daarin bevond zich een vrouw die zo mooi was dat de grond onder haar scheen, toen bracht de engel hem naar twee tuinen en gaf hem andere dingen die alleen bekend zijn bij Allaah. De man zei, “Dit is zoals een man die dit en dat heeft.” De engel zei, “dat is precies wat dit is; het huis, deze tuinen, en deze vrouw zijn allen voor jou.” De man zei, “ik had een (zaken) partner die meestal zei, “ben jij één van degenen die gelooft.” Er werd tegen hem gezegd, “Hij is in het helle vuur.” Hij (een stem) zei, “kijk maar naar beneden.” Dus keek hij naar beneden en hij zag hem in het midden van de hel.
Daarop zei hij,

﴿قَالَ تَاللَّهِ إِن كِدتَّ لَتُرْدِينِ - وَلَوْلاَ نِعْمَةُ رَبِّى لَكُنتُ مِنَ الْمُحْضَرِينَ ﴾

"Bij Allah, U deed mij ook bijna te niet gaan."
"En ware het niet door de gunst van mijn Heer, dan zou ik ook tot hen behoren die daar aanwezig zijn.
56. Qala taAllahi in kidta laturdeeni
57. Walawla niAAmatu rabbee lakuntu mina almuhdareena