Het Permanente Comité voor Islaamitisch Onderzoek en Fataawa werd het volgende gevraagd:

Vraag:

Is het toegestaan voor de niet-moslim om van het vlees te eten van `ied al-adha?

Antwoord:

Ja, het is toegestaan om de ongelovige waar een overeenkomst mee is en de krijgsgevangene te voeden van het vlees van het offer (al-oedhiyyah).

Het is toegestaan om hem hier wat van te geven vanwege zijn armoede, familieband, buurschap of om zijn hart te verzachten jegens de islam.

Want het ritueel van het slachten wordt verricht om dichter bij Allah te komen en het is een aanbidding.

Wat betreft het vlees ervan, het beste is om een derde te eten, een derde te schenken aan zijn familieleden, buren en vrienden en een derde als sadaqa weg te geven aan de armen.

En wanneer men meer of minder geeft of genoegen neemt met een gedeelte met betrekking tot bovengenoemde onderverdeling, dan is dit niet erg. De kwestie hieromtrent is breed.

Men geeft echter geen vlees van het offer aan degene die in oorlog is met de moslims. Want het is een plicht om hem te verzwakken en niet te troosten en versterken met sadaqa. Dit geldt ook voor de vrijwillige sadaqaat vanwege de algemene uitspraak van Allah (تعالى):

‟Allah verbiedt jullie niet om degenen die jullie niet bestrijden vanwege de godsdienst, en die jullie niet uit jullie woonplaatsen verdrijven, om goed en rechtvaardig met hen om te gaan. Voorwaar, Allah houdt van de rechtvaardigen.” [al-Moemtahina(60):8]

Zo ook beval de profeet (صلى الله عليه و سلم) Asmaa bint abie Bakr (رضي الله عنها) om goede banden te onderhouden met haar moeder door middel van geld terwijl haar moeder een polytheïst (moeshrika) was. En dit was ten tijde van een wapenstilstand.

En bij Allah ligt al het succes. En moge Allah`s zegeningen en vrede op Mohammed (صلى الله عليه و سلم) , zijn familie en al zijn metgezellen zijn.

Het permanente comité voor islamitisch onderzoek en fataawa
Voorzitter: Shaych `Abdoel-`Aziez bin Baaz
Vervangend voorzitter: Shaych `Abdoel-Razzaaq `Afiefie
Lid: Shaych `Abdoellah Qoe`oed

Bron: fataawa al-ladjnah ad-daa`imah lil boehoeth al-`ilmiyyah wal iftaa, deel 11, blz. 424, fatwa nr. 1997.
Vertaling: Youssef aboe Safiyyah
Gepubliceerd op: www.ahloelhadieth.com