Het volgen van de weg van de Metgezellen

Allah (soebhanahoe wa Ta´ala) zegt in de Qor´aan: « Jullie zijn de beste gemeenschap die uit de mensen is voortgebracht, (zolang) jullie tot het goede oproepen en jullie het verwerpelijke verbieden, en jullie in Allah geloven..» (Ali ´Imraan 3:110)

Deze ayah is bedoeld voor de moslims in het algemeen, de moslims die zich aan de genoemde voorwaarden houden: tot het goede oproepen, het slechte verbieden en geloven in Allah. Degenen die dit doen vormen "de beste gemeenschap".

Maar de eerste oemma die deze ayah te horen kreeg, de eerste oemma waarvoor de titel "beste gemeenschap" gold, was de oemma in de tijd van de Profeet Mohammed (sallallahoe aleihi wa sallem); zijn metgezellen en metgezellinnen, oftewel de Sahaba en de Sahabiyaat. Ik noem hier nadrukkelijk ook de vrouwelijke metgezellen, want meestal wordt in het algemeen gesproken over "de Sahaba" of "de Metgezellen", maar hieronder vallen zij natuurlijk ook. Mohammed (sallallahoe aleihi wa sallem) omschreef zijn oemma zelf als: "De beste mensen zijn degenen van mijn generatie, dan de mensen die na hen komen, dan de mensen die na hen komen." (Boechari en Moeslim)

Staan we er wel eens bij stil, hoeveel we eigenlijk te danken hebben aan deze moslimbroeders en aa‚¬“zusters? Hoe zouden we de Islam kunnen praktiseren, als we niet door hen alle details over bijvoorbeeld de salaah of het vasten te weten waren gekomen? Zij waren getuigen van alle handelingen en uitspraken van de Profeet (sallallahoe aleihi wa sallem) en hebben deze nauwkeurig overgeleverd, en tegelijkertijd brachten ze zelf ook alles in praktijk. Zij hadden dezelfde vragen die wij ook hebben, en ze stelden hun vragen aan de Profeet (sallallahoe aleihi wa sallem) en gaven zijn antwoord door, zodat wij nu ook deze kennis tot onze beschikking hebben. Ze vonden het zَ belangrijk dat alle kennis werd bewaard en doorgegeven voor de volgende generaties aa‚¬“ dus aan ons aa‚¬“ en ze waren hierin zَ oprecht, dat ze ook gebeurtenissen doorvertelden die voor hen zelf gênant moeten zijn geweest. Zaken die je normaal gesproken niet aan anderen zou vertellen, maar die zij vanwege de kennis die erin besloten lag wél openbaar maakten. Bijvoorbeeld dat ze iets fout deden en de Profeet (sallallahoe aleihi wa sallem) hen corrigeerde. Of de Sahaba ´Ali en Sahl ibn Hanif (ra), die beiden vertelden dat ze veel last hadden van een soort afscheiding (madhi) en dat de Profeet (sallallahoe aleihi wa sallem) hen had gezegd dat ze in dat geval woedhoe moesten doen en hun geslachtsdelen moesten wassen (Boechari e.a.)

We zijn op de hoogte van allerlei privé-details van hun leven, die we meestal niet eens weten van de mensen om ons heen. De Sahaba hebben via hun overleveringen hun hele leven aan ons blootgelegd, zodat wij van hen kunnen leren en hen kunnen volgen.

De Profeet (sallallahoe aleihi wa sallem) zelf zag het gedrag en de daden van zijn Metgezellen en hij keurde ze goed. Dat betekent dat hun gedrag ook door Allah goedgekeurd werd, want het is een algemeen aangenomen principe dat het de Profeet (sallallahoe aleihi wa sallem) niet was toegestaan om iets goed te keuren wat in essentie verkeerd was.

Op verschillende plaatsen in de Qor´aan laat Allah (soebhanahoe wa Ta´ala) Zijn lofprijzing en Zijn genoegen blijken voor de Metgezellen van de Profeet (sallallahoe aleihi wa sallem), en voor degenen die in hun voetsporen treden. Allah (soebhanahoe wa Ta´ala) zegt bijvoorbeeld: « De allereerste (moslims) van de Uitgewekenen (Moehadjirin) en de Ansaar en degenen die hen volgden in goede daden: Allah heeft welbehagen aan hen en zij hebben welbehagen aan Hem. Hij heeft voor hen Tuinen (in het Paradijs) bereid waar onder door de rivieren stromen, zij zijn daarin eeuwig levenden. Dat is de geweldige overwinning. » (at-Taubah 9:100)

« Voorzeker, het welgevallen van Allah was met de gelovigen toen zij jou trouw zwoeren onder de boom, en Hij wist wat in hun harten was. Toen deed Hij de vrede op hen neerdalen en beloonde Hij hen met een nabije overwinning. » (al-Fath 48:18)

Het feit dat zowel Allah (soebhanahoe wa Ta´ala) als Zijn Boodschapper (sallallahoe aleihi wa sallem) zo lovend over hen praten, en het feit dat zij het beste begrip van de Islam hadden, is bewijs genoeg voor het feit dat we hen moeten volgen en nadoen wat betreft hun geloof en gedrag.

Onze houding ten opzichte van de Metgezellen

Hoe moet onze houding zijn ten opzichte van deze oemma die zَ geprezen wordt? We zijn verplicht om hen liefde en respect te betonen en alleen met de beste intenties over hen te denken en te praten. Allah (soebhanahoe wa Ta´ala) beschrijft het als volgt: « En degenen die na hen (de moehadjiroen en de ansaar) kwamen, zeiden: "Onze Heer, vergeef ons en onze broeders die ons zijn voorafgegaan in het geloof en maak in onze harten geen wrok jegens degenen die geloven. Onze Heer, voorwaar, U bent Zachtmoedig, meest Barmhartig. » (Al-Hasjr 59:10)

En de Profeet (sallallahoe aleihi wa sallem) zei: "Het teken van geloof is de liefde voor de Ansaar, en het teken van hypocrisie is de afkeer van de Ansaar" (Boechari en Moeslim)

En waarom zouden we niet houden van degenen die geloofden in de Profeet (sallallahoe aleihi wa sallem), die hem hielpen en die met hun levens en bezittingen streden om het Woord van Allah te verspreiden en te laten heersen? Wie verdienen het meer dat we du´a voor hen doen en het beste in het Hiernamaals voor hen vragen?

We moeten praten over hun goede daden en eigenschappen, en zwijgen over hun fouten als er geen reden is om ze te noemen. Zoals de Profeet (sallallahoe aleihi wa sallem) zei: "Spreek niet slecht over mijn Metgezellen, want als één van jullie een hoeveelheid goud ter grootte van (de berg) Oehoed als liefdadigheid zou weggeven, zou het nog niet gelijk zijn aan een handvol van één van hen, of zelfs maar de helft ervan." (Boechari en Moeslim)

Geleerden zoals imaam Malik en imaam Ahmad (rh) hebben verklaard dat wanneer iemand opzettelijk slecht spreekt of denkt over de Sahabah, of slechte gevoelens jegens hen koestert, hij een kafir is. (Gebaseerd op Al-Fath 48:29)

En er is gezegd: "Houden van de Profeet (sallallahoe aleihi wa sallem) houdt ook in houden van al zijn Metgezellen, en één van hen haten is hetzelfde als de Profeet (sallallahoe aleihi wa sallem) haten" (uitspraak van imaam Adh-Dhahabi)

En dat is logisch, want als we zouden zeggen dat de Sahaba oneerlijk of onbetrouwbaar waren, of verraders waren, dan ondermijnen we daarmee de gehele religie. Want we kunnen dan de ahadieth niet meer gebruiken en zelfs de Qor´aan niet, want ook de Qor´aan heeft ons via hen bereikt. Allah (soebhanahoe wa Ta´ala) beschrijft hen juist als eerlijk en standvastig: « Onder de gelovigen zijn er mannen die de belofte die zij aan Allah gedaan hebben trouw blijven aa‚¬Â¦ » (Al-Ahzaab 33:23)

Deze aayaat en ahadith aa‚¬“ naast vele anderen aa‚¬“ laten ons zien dat de Metgezellen zich op het Rechte Pad bevonden. En in feite is dat het enige ware pad. Er is één pad dat naar Hem leidt en dat is het Pad dat de Profeet (sallallahoe aleihi wa sallem) en zijn Metgezellen volgden.

Ibn Mas´ud (ra) vertelde dat de Profeet (sallallahoe aleihi wa sallem) een rechte lijn in het zand trok, met dwarslijnen naar rechts en naar links. Hij zei erbij dat de rechte lijn het Rechte Pad voorstelde, en de andere lijnen waren dwaalwegen waarop Sjeitaans waren die de mensen uitnodigden op hun weg. En daarna reciteerde hij: « En dat dit Mijn Pad is, een recht Pad, volgt het dan, en volgt geen (andere) paden, want die zullen jullie doen afsplitsen van Zijn Pad. Dat is wat Hij jullie heeft opgedragen, hopelijk zullen jullie (Allah) vrezen. » (Al-An´aam 6:153)

En de Profeet (sallallahoe aleihi wa sallem) zei ook: "De stammen van Israël vielen uiteen in tweeënzeventig groepen. Mijn oemma zal uiteenvallen in drieënzeventig groepen. Elk van hen zal in het vuur zijn behalve één: (de groep) die volgt wat ik en mijn Metgezellen volgen." (At-Tirmidhi)

Daarom moeten we kijken naar de Metgezellen en de eerste generaties na hen aa‚¬“ degenen die in hun voetsporen traden en rechtstreeks van hen hun kennis namen aa‚¬“ en we moeten proberen hen na te doen. We weten immers dat hun manier van leven Allah (soebhanahoe wa Ta´ala) genoegen deed. Velen denken dat het in deze tijd niet mogelijk is om de leefwijze van de Metgezellen na te volgen. Ze denken dat onze tijd met alle technologie etc. zo verschillend is, dat de leer en de leefwijze van de Metgezellen gewoon niet meer toepasbaar is. Ze laten zich misleiden door uiterlijke zaken, want hoewel deze tijd heel anders is, is de menselijke natuur nog steeds hetzelfde. Er is geen reden om veranderingen aan te brengen in de manier van aanbidding van Allah, de manier van sociale omgang met elkaar, de manier van handel drijven, de manier van eten, drinken, slapen, etc.

Eigenschappen van de Sahaba

Als we naar het leven van de Sahaba kijken, en daarna naar ons eigen leven en gedrag, kunnen we onszelf afvragen of we werkelijk hun voorbeeld volgen en dezelfde dien hebben die Allah (soebhanahoe wa Ta´ala) zo´n genoegen doet. Hier volgen een aantal van hun eigenschappen:

Ze relateerden al hun daden aan de Shari´ah

Eén van hun kenmerken was, dat we aan hun spraak en hun daden kunnen zien dat ze elke daad afwogen op de weegschaal van de Shari´ah. Abu Bakr en ´Umar (ra) bijvoorbeeld, deden niets voordat ze er zeker van waren dat die bepaalde daad was toegestaan in de Shari´ah. We moeten dus voorzichtig zijn en oppassen dat we ons niet op twijfelachtig gebied begeven, want ook dat was één van hun eigenschappen, dat ze zich zelfs niet aan twijfelachtige zaken waagden. Vaak doen we iets zonder dat we eerst vragen of onderzoeken om er zeker van te zijn dat dat wat we willen doen toegestaan is en of het Allah (soebhanahoe wa ta´ala) een genoegen doet. Soms vragen we, nلdat we iets hebben gedaan: "Is deze daad halaal of haraam?" Het was één van de eigenschappen van de Metgezellen, dat ze deze vraag stelden vََrdat ze iets deden.

En als ze ontdekten dat iets verplicht voor hen was of juist verboden, dan gehoorzaamden ze direct. Zoals de vrouwen van de Ansaar. Toen soerat an-Noer werd geopenbaard, de soerah waarin vrouwen wordt gezegd zich te bedekken, wachten ze geen moment. Ze scheurden hun gordijnen aan stukken en maakten er hoofdbedekkingen van. (Aboe Daoed)

Ze dachten regelmatig aan de dood

De Metgezellen dachten regelmatig aan de dood en wat daar allemaal na komt. Dit denken aan de dood had een sterk effect op hun daden en op de manier waarop ze tegen het wereldse leven aankeken. De Profeet (sallallahoe aleihi wa sallem) adviseerde hen om vaak aan de dood te denken aa‚¬“ datgene wat een einde maakt aan de wereldse genietingen. En de Metgezellen pasten dit advies van de Profeet (sallallahoe aleihi wa sallem) toe.

Thabit (radiallahoe anhoe) zei eens: "We huilden bij iedere begrafenis die we meemaakten". Uit andere overleveringen kunnen we opmaken dat ze niet huilden om de persoon die overleden was. In werkelijkheid huilden ze om zichzelf. Ze realiseerden zich dat ook voor hen die dag zou komen waarop er een eind aan al hun daden zou komen. Ze dachten bij zichzelf: "Zijn we klaar voor die dag waarop de twee engelen zullen komen en ons zullen ondervragen? Zijn we klaar voor die dag waarop er een eind aan onze daden zal komen en we geen gelegenheid meer hebben om onze zonden goed te maken?"

Huilen wيj als we denken aan die dag waarop onze daden verzegeld worden en de engelen ons ondervragen? Als we werkelijk de weg van de Metgezellen volgen, moeten we vaak aan de dood denken en dan zal dit een grote invloed op ons hebben. Ook dit is onderdeel van het volgen van de Metgezellen.

Ze toonden grote vergevingsgezindheid

Eén van hun andere kenmerken is dat ze erg vergevingsgezind waren ten opzichte van degenen die hen onrecht aan hadden gedaan. Allah (soebhanahoe wa ta´ala) zegt in de Qor´aan: « (Zij zijn het) die uitgeven in voorspoed en in tegenspoed, en die de woede inhouden en vergevers van de mensen zijn aa‚¬Â¦Ã‚» (Ali-´Imraan 3:134)

En de Metgezellen brachten deze beschrijving in praktijk. Ze vergaven anderen, in de hoop dat Allah (soebhanahoe wa ta´ala) dan hen zou vergeven. Wie van ons bezit deze eigenschap vandaag de dag? En aan de ander kant, hoevelen van ons koesteren een wrok en zijn niet in staat iets te vergeven wat ze jaren geleden is aangedaan?

Ze respecteerden de eer van andere Moslims

Een andere belangrijke eigenschap van de Sahaba was, dat ze veel respect hadden voor de eer van andere moslims en altijd het beste wensten voor hun moslimbroeders en aa‚¬“zusters. De Profeet (sallallahoe aleihi wa sallem) had hun geleerd: "Elke moslim is onschendbaar voor een andere moslim aa‚¬“ zijn bloed, zijn bezittingen en zijn eer."

Aboe Bakr (ra) zei: "Kijk niet neer op een andere moslim, want de meest onbetekenende moslim, is groots in de Ogen van Allah (soebhanahoe wa Ta´ala)"

´Omar ibn al-Khattab verklaarde dat als hij het leven kon redden van één enkele moslim, dit voor hem belangrijker zou zijn dan het veroveren van het hele land van Iraaq. En de Profeet (sallallahoe aleihi wa sallem) zei: "Het doden van een gelovige is iets groters in de Ogen van Allah (soebhanahoe wa Ta´ala) dan het vergaan van deze wereld." (An-Nasa´i, sahieh)

Wat is er gebeurd met deze eigenschap van de moslims? Bezitten we deze eigenschap nog steeds? Behandelen wij elkaar met hetzelfde respect en dezelfde eer als de Metgezellen deden? Tegenwoordig is het niet ongewoon dat moslims elkaar oplichten bij het zakendoen, dat ze beloften verbreken. We zien zelfs moslims andere moslims doden. En is het niet zo dat sommige moslims meer respect en eer betonen aan de ongelovigen in hun omgeving dan aan hun moslimbroeders en aa‚¬“zusters? Zolang we ons zo gedragen kunnen we niet beweren dat we de weg van de Metgezellen volgen.

Ze verrichtten het nachtgebed

Een ander belangrijk aspect van het leven van de Metgezellen was het regelmatig verrichten van het nachtgebed, het tahadjoed-gebed. Dit is het kenmerk van degenen die in het Paradijs zullen verblijven inshaAllah, want Allah (soebhanahoe wa Ta´ala) zegt in de Qor´aan: « Voorwaar, de moetaqqoen verblijven in Tuinen en bij bronnen (in het Paradijs). Zij nemen wat hun Heer hun geeft. Voorwaar, zij behoorden voorheen tot de weldoeners. Zij plachten gedurende de nacht weinig te slapen. En in de laatste uren van de nacht smeekten zij om vergeving. » (Adh-Dhariyaat 51:15-18)

De Profeet (sallallahoe aleihi wa sallem) zei over deze gebeden: "Hou vast aan de nachtgebeden, want het (verrichten van deze gebeden) was de gewoonte van de vrome mensen vََr jullie. Het is ook een middel om dichter bij jullie Heer te komen. Het wist jullie slechte daden uit en het weerhoudt iemand van het zondigen." (Ahmed, at-tirmidhi, al-Hakim, e.a., sahieh)

De Metgezellen hechtten heel veel waarde aan het verrichten van het nachtgebed. Als ze dit gebed gemist hadden, voelden ze zich ongelukkig. Maar daarnaast, begrepen ze ook wللrom ze dit gebed gemist hadden. Al-Hasan al-Basri zei: "Niemand laat het nachtgebed, behalve door een zonde die hij heeft begaan." En bij een andere gelegenheid zei hij: "Het nachtgebed is alleen zwaar voor degene wiens zonden zwaar op hem rusten."

Als we ware volgelingen van de Metgezellen willen zijn, moeten we deze soenna weer laten herleven. Vandaag de dag vinden we heel veel excuses om dit belangrijke gebed niet te doen. Maar we moeten in onszelf deze excuses bestrijden en ons best doen om er een gewoonte van te maken dit belangrijke gebed te verrichten, net zoals onze voorgangers dat deden.

Ze hechtten niet veel waarde aan ad-doenya (wereld)

Eén ding dat duidelijk blijkt uit de verhalen over de eerste generaties moslims, is hun houding ten opzichte van deze wereld, de doenya. Hun eerste zorg betrof altijd het Hiernamaals. De daden die hun voordeel zouden brengen in het Hiernamaals, vonden ze belangrijker dan de daden die slechts in deze wereld voordeel opleveren. Deze wereld had weinig waarde voor hen, behalve als een middel om het Paradijs te verkrijgen. Dat onderscheid is belangrijk: ze zagen dit wereldse leven niet als doel, ze werkten niet om het in dit leven goed te hebben. Ze zagen dit leven als een middel, als iets om gebruik van te maken om iets anders te bemachtigen, namelijk het Paradijs.

Als iemand deze wereld verlangt, dan geeft Allah (soebhanahoe wa Ta´ala) hem deze wereld. Dat is makkelijk voor Allah. Voor Hem (soebhanahoe wa Ta´ala) hebben de dingen van deze wereld niet veel waarde, dus Hij (soebhanahoe wa Ta´ala) geeft de genietingen van deze wereld zelfs aan degenen die niet in Hem geloven. Allah (soebhanahoe wa Ta´ala) zegt in de Qor´aan: « En wie het vergankelijke (van de wereld) wenst: voor hem zullen Wij wat Wij wensen daarin verhaasten, voor wie Wij willen. Vervolgens maken Wij voor hem de Hel, hij gaat daar binnen, vernederd en verjaagd. En wie het Hiernamaals wenst en er met en redelijke inzet naar streeft, én hij is gelovig: hij (behoort) tot degenen van wie hun streven wordt beloond. » (Al-Israa´ 17: 18-19)

Een ware gelovige staat als het ware "boven" deze wereld. De doelen die hij zich stelt, de zaken waarnaar hij verlangt, zijn niet in deze wereld te vinden. Dus spendeert hij niet al zijn tijd aan de zaken van de doenya.

Eén van onze vrome voorgangers, Malik ibn Dinar, maakte een mooie vergelijking. Hij vergeleek iemand die de wereldse zaken najaagt, met iemand die de wereld ten huwelijk vraagt, en hij zei: "Als iemand deze wereld ten huwelijk vraagt, kost hem dat zijn gehele religie als bruidschat, en de wereld zal niet tevreden zijn met minder dan dat."

Het verhaal van Mus´ab ibn aa‚¬ËœUmayr (ra) laat zien hoe gemakkelijk de Metgezellen hun luxueuze levensstijl opgaven als ze moslim werden. Mus´ab was de bestgeklede jongeman van Mekka. Zijn moeder, een rijke vrouw, had hem laten opgroeien met alle mogelijke luxe. Hij droeg de duurste kleren, geparfumeerd met de beste geuren en zijn schoenen werden gehaald uit Hadramaut, dat toen bekend stond om zijn mooie lederwaren. De Profeet (sallallahoe aleihi wa sallem) heeft eens over hem gezegd: "Ik heb in Mekka geen jongeman gezien die knapper of beter gekleed was of die in meer luxe en comfort was opgegroeid, dan Mus´ab ibn ´Umayr."

Mus´ab hoorde over het profeetschap van Muhammed (sallallahoe aleihi wa sallem) en dat hij preken hield in het huis van Arqam. Hij ging uit nieuwsgierigheid luisteren, en kwam terug als moslim. Hij verborg echter zijn geloof voor zijn omgeving en ontmoette de Profeet (sallallahoe aleihi wa sallem) steeds in het geheim. ´Uthman ibn Talha zag hem eens bidden en vertelde dat aan zijn moeder en andere stamleden. Het resultaat was dat ze hem gevangen namen en hem vastgebonden hielden, totdat de eerste moslims naar Abyssinië migreerden. Toen hij uit Abyssinië terugkeerde, samen met de andere vluchtelingen, was hij compleet veranderd. Zijn elegante, dure uiterlijk had plaatsgemaakt voor simpele armoedige kleding. Maar hij was gelukkig met zijn armoede, omdat hij zijn rijkdom had ingeruild voor de Islam. Mus´ab stierf als shahied bij de slag bij Oehoed. Hij was op dat moment zo arm (in wereldse bezittingen uitgedrukt) dat toen ze hem wilden begraven in zijn gewaad, zijn voeten onbedekt bleven. En toen ze zijn voeten probeerden te bedekken, stak zijn hoofd eruit. Soebhanallah! Kijk hoe zijn leven is verlopen. Opgegroeid met alle luxe, de best geklede jongeman van Mekka, en geëindigd als arme man die niet eens genoeg kledingstukken bezat om fatsoenlijk in begraven te worden. En wat kreeg hij terug voor zijn opoffering: hij ruilde ad-doenya in voor al-achira , voor een leven als moslim, hij behoorde tot de beste generatie moslims, en hij had de eer te sterven als shahied, als martelaar.

En hoe zit het met ons? Het najagen van alle verlokkingen van de doenya is één van de grootste beproevingen voor de moslims van deze tijd. Helaas is het zo dat moslims die een goede opleiding hebben genoten en de beter betaalde banen kunnen krijgen, vaak alleen maar bezig zijn met nَg meer geld bezitten, een nَg mooiere auto of een nَg groter huis kopen. En soms lijkt het of onze jeugd alleen maar interesse heeft in de laatste mode, de nieuwste films en muziek. Kortom, allemaal dingen van de doenya die ons in het Hiernamaals geen voordeel gaan brengen. We zijn de balans in ons leven kwijt; de balans tussen de doenya en de achira, tussen het wereldse leven en het hiernamaals. De balans is doorgeslagen naar de doenya, terwijl het zo hoort te zijn dat het Hiernamaals eerst komt. Deze wereld is slechts een opstapje naar Allah´s Vergeving in het Hiernamaals. Dit was de opvatting die de Metgezellen hadden over de wereld en die wij moeten overnemen.

Ze letten op hun eigen tekortkomingen en niet op die van anderen

Een andere eigenschap van de Metgezellen was, dat ze zich meer bezighielden met hun eigen tekortkomingen dan met die van anderen. ´Omar (ra) zei eens: "Moge allah genade hebben met degene die mij op mijn tekortkomingen wijst." En het is een feit, dat letten op de fouten van anderen je geen voordeel brengt in het Hiernamaals. Op je eigen fouten letten en ze proberen te veranderen, dلt heeft nut voor je leven nu en in het Hiernamaals. Eigenlijk zouden we al onze aandacht moeten richten op onze tekortkomingen en op het verbeteren van onszelf. Dat is tijd die nuttig besteed is, niet de tijd die we doorbrengen met het bekritiseren van anderen. En we moeten blij zijn als iemand ons op onze fouten wijst, net zoals ´Omer (ra) daar blij mee was.

Ze zochten het gezelschap van goede vrome gelovigen

De Metgezellen vermeden contact met mensen die erge zonden begingen, en bijeenkomsten waarbij zonden werden begaan. De Metgezel ´Abdullah ibn Mas´ud (ra) bijvoorbeeld, was uitgenodigd voor een trouwfeest, maar verliet het feest toen er harame zaken werden gedaan. De Metgezellen zochten niet het gezelschap van degenen die grote zonden begingen of bid´ah (toevoegingen aan de dien) deden. Ze deden dat, om hun harten zuiver en schoon te houden, om te voorkomen dat er twijfels of verlangens in hen op zouden komen door het gezelschap van deze mensen. Door veel om te gaan met vrome mensen en bijeenkomsten te bezoeken waar alleen goede dingen werden gezegd en gedaan, waren ze in staat om hun geloof te laten groeien.

Maar hoe is het nu? Kijken wij zorgvuldig uit met wie we omgaan? Bij het sluiten van vriendschappen, vragen we ons dan af of door het contact met deze persoon onze imaan kan groeien? En evenzo de plaatsen die we bezoeken. Kijken we of deze plaatsen of bijeenkomsten vrij zijn van harame zaken? Of ze ons vooruit gaan helpen in onze dien? Vaak denken we dat we wel sterk genoeg zullen zijn om de invloed van bepaalde mensen of plaatsen tegen te gaan, dat het onze imaan niet zal schaden. Maar als de Sahaba zo bezorgd waren om hun imaan, dat ze slechte mensen, bijeenkomsten en plaatsen vermeden, moeten wij, die veel zwakker zijn dan hen, dat dan ook niet doen?

Ze streden moedig voor de Islaam

Er zijn vele overleveringen over hoe de Metgezellen hun levens hebben ingezet in de strijd tegen de ongelovigen. Ze doorstonden ontberingen, leden pijn en overleden op het slagveld, en dit alles met één doel voor ogen: de plaats in Djennah die Allah beloofd heeft aan degenen die zich inzetten voor de djihaad fie sabilillah.

« En denkt niet van degenen die op de Weg van Allah gedood zijn dat zij gestorven zijn. Zij leven zelfs bij hun Heer , zij worden voorzien. Zij verheugen zich met wat Allah hen van Zijn gunsten gaf en zij verheugen zich over degenen die zich nog niet na hen (bij hen) gevoegd hebben. Er is voor hen geen angst en zij treuren niet. Zij verheugen zich over de genieting van Allah en (Zijn) gunst. En voorwaar, Allah verwaarloost de beloning van de gelovigen niet. » (Ali-´Imraan 3:169-171)

Hoe sterk hun verlangen naar de beloning was blijkt uit het volgende verhaal: Toen het leger uit Medina vertrok, was er onder hen ene jongen van zestien jaar, ´Umair ibn Abi Waqqas (ra). Hij ging stiekem mee, want hij was bang dat de Profeet (sallallahoe aleihi wa sallem) hem vanwege zijn leeftijd terug zou sturen. Toen de Profeet (sallallahoe aleihi wa sallem) hem ontdekte, zei hij inderdaad dat hij terug moest gaan omdat hij te jong was voor de strijd. De jongen begon erg te huilen en wilde erg graag mee, en uiteindelijk gaf de Profeet (sallallahoe aleihi wa sallem) hem toestemming. ´Umair vocht dus mee en werd gedood, en daarmee werd zijn wens vervuld.

En niet alleen de mannen vochten moedig, er waren ook vrouwen die hun leven op het spel zetten: Nusaybah Oem `Imarah (ra) vertelde het volgende over de Slag bij Oehoed: "De mensen lieten de Profeet (sallallahoe aleihi wa sallem) onverdedigd, behalve een klein groepje waaronder mijn man, mijn zoons en ikzelf. We verdedigden hem en er liepen mensen verslagen rond. Ik had geen scherm ter verdediging. De Profeet (sallallahoe aleihi wa sallem) zag een man met een scherm, die niet aan de gevechten deelnam, en hij zei tegen hem: "Geef je scherm aan iemand die vecht." De man gaf zijn scherm aan mij en ik gebruikte het om de Profeet te verdedigen."

Nusaybah vocht, behandelde de gewonden en droeg water voor hen. Haar zoon was gewond en zijn bloed vloeide. Maar ze sloeg geen acht op zijn toestand, totdat de Profeet (sallallahoe aleihi wa sallem) zei: "Verbind de gewonden." Toen ging ze naar haar zoon en verbond zijn wonden, terwijl de Profeet (sallallahoe aleihi wa sallem) toekeek. Toen ze klaar was met verbinden zei ze tegen haar zoon: "Sta op en vecht tegen de mensen."

De Profeet (sallallahoe aleihi wa sallem) zei later: "De positie van Nusaybah vandaag is beter dan die van zus-en-zo. Ik zag haar op de dag van Oehoed moedig vechten en ze had een kledingstuk rond haar middel gebonden als bescherming. Ze liep dertien wonden op. Ik zag dat Ibn Qami´ah haar schouders verwondde, en haar ergste wond had een jaar nodig om te genezen." Ze vocht ook bij de slag van Yamamah. Ze raakte op elf verschillende plaatsen gewond en haar hand werd afgehakt. Haar zoon Habib werd gedood.

Soebhanallah! Wat een inzet toonde deze Sahabiyah. Zoveel verwondingen liep ze op, en ze moedigde haar zoon aan om door te vechten ondanks dat hij gewond was. En zo waren er veel vrouwen, die hun mannen en zonen aanmoedigden om zich in de Djihaad te begeven. En niet omdat ze niet van hun mannen en kinderen hielden, ze hielden net zoveel van ze als wij doen en ze vonden het net zo erg om hun mannen en kinderen te verliezen als wij dat zouden vinden. Maar ze waren bereid om offers te brengen fie sabilillah, voor de zaak van Allah, omdat het dienen en gehoorzamen van Allah hun allerhoogste prioriteit had.

~~~~~~~~~~~~

Dit waren enkele belangrijke eigenschappen van onze vrome voorgangers. Als we erkennen dat hun weg de juiste weg is, dan moeten we ons realiseren dat het niet voldoende is om hetzelfde te geloven als zij geloofden, maar dat we ook hetzelfde moeten doen als zij deden. Hun dien moet onze dien zijn, en de dien omvat alle aspecten van het leven; heeft betrekking op geloofsopvattingen, op gedrag, op manieren en omgangsvormen, op leefwijze etc. Als wij ons hun volgelingen willen noemen, dan moeten we dat laten zien in ons gedrag, in onze daden, in onze opvattingen over goed en kwaad, in onze aanbidding, en in ons geloof. Als we zaken achterwege laten, volgen we niet echt hun weg, al beweren we dat wel.