Al-Imaam Maalik ibn Anas [1]

Hij is de Shaykhoel-Islaam, het bewijs van de Oemmah, de Imaam van Daaroel-Hidjrah (Madienah), Aboe ‘Abdillaah Maalik ibn Anas in Maalik ibn Abie 'Amier ibn ‘Amr ibnoel-Haarith ibn Ghaymaan ibn Khoethayl ibn ‘Amr ibnoel-Haarith - en hij is Dhoe Asbah ibn ‘Awf ibn Maalik ibn Zayd ibn Shaddaad ibn Zu’rah. En hij is Himier al-Asghar al-Himierie, dan al-Asbahie al-Madanie, een bondgenoot van de stam van Taym van Qoeraish. Dus zij waren bondgenoten van ‘Oethmaan, de broer van Talhah ibn ‘Oebaydillaah, één van de tien (die verzekerd zijn van het Paradijs). En zijn moeder is ‘Aaliyah bint Shariek al-Azdiyah. En de ooms van moederskant zijn Aboe Soehayl Naafi’ en Oeways, en ar-Rabie’ en an-Nadr, de kinderen van Aboe ‘Amier.

Aboel-Hasan ‘Alie ibn ‘Abdil-Ghanie al-Moe’dal verhaalde ons, ‘Abdoel-Latief ibn Yoesoef verhaalde ons, Ahmad ibn Ishaaq verhaalde ons, Mohammad ibn Aboel-Qaasim al-Khatieb verhaalde ons, zeggend, Aboel-Fath Mohammad ibn 'Abdil-Baaqie verhaalde ons, ‘Alie ibn Mohammad ibn Mohammad al-Anbaarie verhaalde ons, ‘Abdoel-Waahid ibn Mohammad ibn ‘Abdillaah ibn Mahdie verhaalde ons, Mohammad ibn Makhlad verhaalde ons, Aboe Yahya Mohammad ibn Sa’ied ibn Ghaalib al-‘Attat verhaalde ons, Ibn ‘Oeyaynah verhaalde ons van Ibn Khoeraydj, van Aboez-Zoebayr, van Aboe Saalih, van Aboe Hoerayrah, de Profeet (sallallahoe ‘alayhi wa sallam) bereikend, die zei: “De mensen zullen de ruggen van kamelen beklimmen op zoek naar kennis. Zij zullen geen Geleerde vinden met meer kennis, dan een Geleerde in al-Madienah.” [2]

En Aboel-Moeghierah al-Makhzoemie zei dat het betekent dat de mensen kennis zullen blijven zoeken. Zij zullen niemand met meer kennis vinden dan een Geleerde in al-Madienah. Dus dit zou Sa’ied ibnoel-Moesayyib kunnen zijn, dan iedereen die na hem kwam van de onderwijzers van Maalik, dan Maalik, en dan degene die na hem komt in kennis, en hij was de meest kennisrijke van zijn tijdgenoten.

Ik zeg, de Geleerde van al-Madienah na de Boodschapper van Allah (sallallahoe ‘alayhi wa sallam) en zijn Metgezellen was Zayd ibn Thaabit, en Aa-ishah, dan Ibn ‘Oemar, dan Sa’ied ibnoel Moesayyib, dan az-Zoehrie, dan ‘Oebaydoellah ibn ‘Oemar, dan Maalik.

En Taahir ibn Khaalid al-'Alie verhaalt van zijn vader, van Ibn ‘Oeyaynah die zei: “Maalik kwam niet met een hadieth, behalve als hij authentiek was, en hij verhaalde niet, behalve van iemand die thiqah (betrouwbaar) was. En ik heb de mensen in al-Madienah na zijn dood alleen maar zien wegkwijnen,” betekenend op het gebied van kennis.

Ibnoel-Madienie zei: “Ik hoorde ‘Abdoer-Rahmaan ibn Mahdie zeggen, Woehayb - en hij was van de meest nauwkeurige mensen in hadieth en overleveraars - vertelde me dat hij in al-Madienah aankwam. Hij zei: Ik zag niemand, behalve dat hij werd geboden en verboden, behalve Maalik en Yahya ibn Sa’ied al-Ansaarie.” [3]

‘Abdoer -Rahmaan zei: “Niemand is Maalik voorbijgegaan in de authenticiteit van hadieth.”

Ibn Mahdie zei: “De imaams van de mensen in hun tijd, waren er vier: ath-Thawrie, Maalik, al-Awzaa’ie en Hammaad ibn Zayd.”

En hij zei: “Ik heb niemand gezien die intelligenter is dan Maalik.” [4]

En van Maalik, die zei: “Het schild van de Geleerde is, ‘ik weet het niet,’ dus als hij het (dit) verwaarloost, wordt zijn uitspraak aangevallen.” [5]

En al-Haytham ibn Djamil zei: “Ik hoorde dat Maalik werd gevraagd over achtenveertig zaken. En hij antwoordde tweeëndertig ervan met: ik weet het niet.”

En van Khaalid ibn Khadaash die zei: “Ik ging naar Maalik met veertig zaken. Hij beantwoordde niets voor me, behalve vijf zaken.”

Ibn Wahb verhaalt van Maalik, dat hij ‘Abdoellah ibn Yazied ibn Hoermoez hoorde zeggen: “Het past bij de Geleerde dat hij de uitspraak ‘Ik weet het niet’ aan zijn studenten overdraagt, totdat dat het fundament wordt waar zij toe vluchten.”

Ibn ‘Abdil-Barr zei: “Het is authentiek overgeleverd van Aboed-Dardaa’ dat ‘Ik weet het niet’ de helft van de kennis is.” [6]

Mohammad ibn Roemh zei: “Ik zag de Profeet (sallallahoe ‘alayhi wa sallam) [in een droom], dus ik zei: O Boodschapper van Allah, waarlijk, Maalik en al-Layth hebben een meningsverschil, dus van wie van de twee moet ik nemen? Hij (de Profeet (sallallahoe ‘alayhi wa sallam)) zei: Maalik, Maalik.” [7]

Mohammad ibn Djarier zei: “Maalik werd inderdaad geslagen met de zweep, en er was een meningsverschil wat betreft de reden daarvan. Al-‘Abbaas ibnoel Walied verhaalde me, dat Ibn Dhakwaan ons van Marwaan at-Tataarie overleverde dat Dja’far Maalik de hadieth ‘Er is geen scheiding voor degene die wordt gedwongen’ verbood. [8]

Toen werd er een leugen tegen hem samengespannen om hem erover te vragen, dus hij verhaalde het van de leiders van de mensen. Dus werd hij geslagen met de zweep.”

En al-‘Abbaas verhaalde ons, Ibrahiem ibn Hammaad verhaalde ons dat hij gewoonlijk naar Maalik keek als hij voor zijn bijeenkomst stond. Hij droeg de ene hand met de andere.

Van Ibn Sa’d die zei, al-Waaqidie verhaalde ons, zeggend: “Toen Maalik werd geroepen en raad gaf - en er naar hem werd geluisterd en van hem geaccepteerd - werden de mensen jaloers op hem. En zij behandelden hem onrechtvaardig in alles. Dus toen hij met Dja’far ibn Soelaymaan werkte, gingen ze snel naar hem, en velen die naar hem kwamen waren tegen Maalik. Dus zei zeiden: Jouw rechterhand ziet deze bay’ah (eed van trouw) van jou als iets (van waarde), en hij neemt de hadieth verhaald door Thaabit ibnoel-Ahnaf over de scheiding van degene die wordt gedwongen. Het is toegestaan volgens hem.”

Hij zei: “Dja’far werd boos en riep Maalik. Hij bevestigde het bewijs wat betreft hetgeen dat tegen hem was opgezet. Dus hij (Dja’far) beval dat hij van zijn gewaad werd ontdaan en vervolgens sloeg hij hem met de zweep. En er werd aan zijn armen getrokken totdat ze van zijn schouders werden ontwricht. En hetgeen hij moest doorstaan was zwaar. Dus bij Allah, daarna hield de hoge waarde die hem werd toegekend niet op.”

Ik zeg, dit is het resultaat van een prijzenswaardige beproeving, en het verheft de status van de dienaar onder de gelovigen. En wat het geval ook is, het is wat onze handen hebben verdiend, en Allah vergeeft een groot deel. “Voor wie Allah goeds wil, brengt Hij ongeluk en rampspoed.” [9] De Profeet (sallallahoe ‘alayhi wa sallam) zei ook: “Alles dat voor de gelovige is bevolen, is goed voor hem.” [10]

En Allah de Verhevene zegt:

وَلَنَبْلُوَنَّكُمْ حَتَّى نَعْلَمَ الْمُجَاهِدِينَ مِنكُمْ وَالصَّابِرِينَ وَنَبْلُوَ أَخْبَارَكُمْ

“En Wij zullen jullie zeker beproeven, totdat Wij hebben getoetst wie van jullie hard strijden en geduldig zijn, en Wij zullen jullie daden beproeven.”

[Soerah Mohammad 47:31]

En Hij openbaarde ook in Zijn Uitspraak:

أَوَلَمَّا أَصَابَتْكُم مُّصِيبَةٌ قَدْ أَصَبْتُم مِّثْلَيْهَا قُلْتُمْ أَنَّى هَـذَا قُلْ هُوَ مِنْ عِندِ أَنْفُسِكُمْ

“En toen een ramp jullie trof, terwijl jullie hen met een twee keer zo grote ramp troffen, vragen jullie dan ‘Waar kwam dit vandaan?’ Zeg, het komt van jullie zelf.”

[Soerah ‘Aal Imraan 3:165]

En Allah zegt:

وَمَا أَصَابَكُم مِّن مُّصِيبَةٍ فَبِمَا كَسَبَتْ أَيْدِيكُمْ وَيَعْفُو عَن كَثِيرٍ

“En wat jullie aan rampspoed treft, het is vanwege wat jullie eigen handen hebben verdiend, maar Allah vergeeft veel.”

[Soerah ash-Shoera 42:30]

Dus wanneer de gelovige wordt beproefd, zet hij geduldig door, laat zich erdoor waarschuwen, zoekt de vergiffenis van Allah, en houdt zich niet bezig met degene die hem verkeerd behandeld heeft de schuld te geven, want Allah is rechtvaardig in Zijn Oordeel. Dus hij prijst Allah dat zijn Dien veilig is gebleven, en beseft dat de bestraffing die in deze wereld wordt ondergaan lichter is, en beter voor hem.

En al-Qa’nabie zei: “Ik hoorde hem zeggen: Maalik’s leeftijd was negenentachtig jaar, hij stierf in het jaar 179.”

En Ismaa’iel ibn Abie Oeways zei: “Maalik werd ziek, dus ik ondervroeg enkele van de mensen over wat hij zei op het moment van zijn sterven. Zij zeiden: Hij reciteerde de tashahhoed (geloofsgetuigenis), en toen reciteerde hij: “Hun zaak is aan Allah, voordien en nadien.” [Soerah ar-Roem 30:4].”

En hij stierf op veertien Rabie’oel-Awwal, in het jaar 179. De leider, ‘Abdoellah ibn Mohammad ibn Ibrahiem ibn Mohammad ibn ‘Alie ibn ‘Abdillaah ibn ‘Abbaas al-Haashimie verrichte het gebed voor hem.

En Aboe Moes’ab az-Zoehrie zei: “Hij stierf na de tiende van Rabie’oel-Awwal, na negentig jaar.”

Mohammad ibn Sahnoen zei: “Hij stierf op de dertiende van Rabie’oel-Awwal.”

Bron: The Creed of the four Imaams - Mohammad ibn ‘Abdir-Rahmaan al-Khoemayyis
Vertaald door: Hoedhayfah al-Hollandie

[1] Genomen van Siyar A’laamin-Noebalaa (8/47-130), licht aangepast. Voor biografieën van al-Imaam Maalik, zie: Djamaa’oel-‘Ilm (nr. 242) van ash-Shaafi’ie, Taariekh Khaliefah ibn Khayaat (1/423, 2/179), Tabaqaat Khaliefah (nr. 275), al-Ma’aarif (nr. 498-499) van Ibn Qoetaybah, al-Moentakhib (nr. 106-107) van at-Tabarie, Mashaahir ‘Oelamaa’il-Amsaar (nr. 1110), al-Hilyah (6/316), Ansaaboel-‘Arab (1/435-436) van Ibn Hazm, Tartieboel-Madaarik (1/102-154), al-Moebhamaat fil-Hadieth (2/34) van an-Nawawie, Tadhkiratoel-Hoeffaadh (2/49) van Ibn ‘Abdil-Haadie, Sifaatoes-Safwah (2/177-180), al-Kaamil (6/147) van Ibnoel-Athier, Tahdhieboel-‘Asmaa’ wal-Loeghaat (2/75-79) van an-Nawawie, Wafiyyaatoel-A’yaan (4/135-139), al-‘Ibr (1/272) van adh-Dhahabie, Maraatoel-Djinaan (1/372-377), al-Bidaayah wan-Nihaayah (10/174-175), ad-Diebadjoel-Madhhab (1/55-139), Tahdhieboet-Tahdhieb (10/5), at-Taariekhoel-Kabier (7/310), at-Taariekhoes-Saghier (2/220), Sharhoel-Boekhaarie (1/6) van al-Qalshaanie, Miftaahoes-Sa’aadah (2/12), Shadharaatoedh-Dhahab (2/12-15), al-Kaashif (3/112), Taariekh Ibn Ma’ien (2/543-546), al-Ansaab (1/287), al-Loebaab (1/69), Moeroedjoedh-Dhahab (3/350), Taariekhoel-Khamies (2/333) en Tabaqaatoel-Qiraa’ (2/35).

[2] Verhaald door Ahmad (2/229), at-Tirmidhie (nr. 2682), Ibn Hibbaan (nr. 2308), al-Haakim (1/91) en al-Bayhaqie (1/286). En at-Tirmidhie heeft hem hasan verklaard, en hij is authentiek verklaard door Ibn Hibbaan en al-Haakim, en adh-Dhahabie was het ermee eens.

[3] Uit de inleiding van al-Djarh wat-Ta’diel (1/13).

[4] Uit de inleiding van al-Djarh wat-Ta’diel (1/13).

[5] Al-Intiqaa (pag. 38.).

[6] Zie Tartieboe Wadamis (1/144) en Djaami’ Bayaanil-‘Ilm wa Fadhlih (1/54).

[7] Al-Intiqaa (pag. 38.).

[8] Het is genoemd in marfoe’ (verheven) vorm, het is slechts mawqoef (gestopt) bij Ibn ‘Abbaas. Het is overgeleverd door Ibn Abie Shaybah in al-Moesannaf (5/49) op de manier van Hashiem, van ‘Abdoellah ibn Talhah al-Khoeza’ie, van Abie Yazied al-Madienie, van ‘Ikrimah, van Ibn ‘Abbaas die zei: “Er is geen scheiding voor degene die wordt gedwongen, noch degene die onder druk is gezet.” En al-Boekhaarie (9/343) verhaalt het in moe’allaq (onderbroken) vorm.

[9] Overgeleverd door al-Boekhaarie (nr. 5645).

[10] Overgeleverd door Moeslim (nr. 2999) van Soehayb (radiallahoe ‘anhoe) en door Ahmad in zijn Moesnad (5/24) van Anas ibn Maalik (radiallahoe ‘anhoe).


http://www.soennah.com/sierah/maalik.htm