Al-Imaam Ahmad ibn Hanbal [1]

Hij is de ware Imaam, en de Shaykhoel-Islaam, Aboe ‘Abdoellah Ahmad ibn Mohammad ibn Hanbal ibn Hilaal ibn Asad ibn Idries ibn ‘Abdillaah ibn Hayaan adh-Dhoehlie ash-Shaybaanie al-Marwazie, vervolgens al-Baghdaadie, één van de uitstekende Imaams. Zijn vader behoorde tot de soldaten van Marw, hij stierf als een jeugdige en Ahmad werd opgevoed als een wees. Er wordt gezegd dat zijn moeder Marw verliet en hem met zich meenam. Hij werd geboren in Rabie’oel-Awwal in het jaar 164H.

De leraar, de Imaam, de Shaykhoel-Islaam, Aboe ‘Oethmaan Ismaa’iel ibn ‘Abdir-Rahmaan as-Saboenie an-Naysaboerie vertelde ons toen hij naar ons kwam in Damascus in Radjab van het jaar 432H, hij zei: “Aboe Mohammad al-Hasan ibn Ahmad ash-Shaybanie, algemeen bekend als al-Makhdie, zei in het jaar 387H: Aboe Bakr ‘Abdillaah ibn Mohammad ibn Moeslim al-Isfarayienie vertelde ons, lezend: Aboel-Fadl Saalih ibn Ahmad ibn Hanbal zei: “Ik hoorde mijn vader zeggen: Ik werd geboren in het jaar 164H, in het begin van Rabie’oel-Awwal.”

Hij (Saalih ibn Ahmad ibn Hanbal) zei: Ik hoorde zeggen dat mijn vader zei: “Ik studeerde hadieth toen ik zestien jaar oud was.”

Mijn vader zei: “En Hoeshaym stierf toen ik een jongere van twintig jaar was. Ik had wat ik van hem had geleerd uit mijn hoofd geleerd. Mensen kwamen aan de deur van Ibn ‘Oeyaynah en hij had de boeken van Hoeshaym. Hij plaatste deze voor me en zei: De isnaad voor dit is zo en zo. En al-Moe’aytie kwam, en hij memoriseerde het. Ik zei tegen hem: Ik heb hem geantwoord over wat is gekomen, en ik weet van deze hadieth, wat ik nog niet eerder heb gehoord. En ik vertrok naar al-Koefah in het jaar waarin Hoeshaym stierf, het jaar 183H. Het was het eerste jaar waarin ik reisde. ‘Iesa ibn Yoenoes kwam na mij aan in Koefah, in hetzelfde jaar, en daarna heeft hij geen Haddj meer verricht.”

Hij zei: “En de eerste reis die ik ondernam was naar al-Basrah, in het jaar 186H. Ik zei tegen hem: In welk jaar zal ik naar Soefyaan ibn ‘Oeyaynah gaan? Hij zei: In het jaar 187H. We kwamen en Foedayl ibn ‘Iyaad was al gestorven, en het was het eerste jaar waarin ik de Haddj verrichtte. En Walied ibn Moeslim verrichtte de Haddj in het jaar 191H, en in het jaar 196H. en ik verrichtte het in het jaar 197H, en ik vertrok in het jaar 198H. En ik bleef met ‘Abdoer-Razzaaq in het jaar 199H, en bij de dood van Soefyaan en Yahya ibn Sa’ied en Abdoer-Rahmaan stierf in het jaar 198H.”

Mijn vader zei: “Als ik vijftig dirham bij me had, reisde ik altijd naar Djarier ibn ‘Abdil-Hamied in ar-Rayyie. Toen sommige van onze metgezellen vertrokken was het voor mij niet mogelijk om mee te gaan, want ik had niets bij me.”

Ik hoorde Saalih zeggen: “Ik zei tegen mijn vader: Een hadieth zou kunnen zeggen: De Boodschapper van Allah (sallallahoe ‘alayhi wa sallam) zei…, terwijl iemand zou kunnen schrijven: De Profeet (sallallahoe ‘alayhi wa sallam) zei… Hij (Ahmad) zei: Ik zie er geen probleem in.”

Ik hoorde Saalih zeggen: “Als mijn vader woedoe’ wilde verrichten voor het gebed, weigerde hij niemand die zijn water wilde drinken. Hij dronk met zijn hand. Ik hoorde hem vaak Soerah al-Kahf reciteren. En als ik me ziek voelde nam hij water in een drinkkom, en dan reciteerde hij erover. Vervolgens zei hij tegen mij: Drink ervan en was je gezicht en handen ermee. En wanneer hij uit ging om boodschappen te doen, kocht hij een bundel hout en nog iets en dat droeg hij dan.”

Al-Imaam ash-Shaafi’ie (o. 240H) (rahimahoellah) zei: “Ik verliet Baghdad en ik liet geen betere man, met meer kennis of betere fiqh (begrip) achter, noch met meer taqwa (godsvrees), dan Ahmad ibn Hanbal.”

Aboe Daawoed (o. 257H) (rahimahoellah) zei: “De lezingen van Ahmad waren bijeenkomsten van het Hiernamaals. Hij noemde er niets van de wereldse zaken in; en ik heb hem nooit deze wereld horen noemen.”

‘Alie ibnoel-Madienie (o. 234H) (rahimahoellah) zei: “Allah heeft de wereld werkelijk geholpen met Aboe Bakr as-Siddieq op de dag van de afvalligheid, en door Ahmad ibn Hanbal op de dag van de beproeving.” [2]

Qoetaybah ibn Sa’ied (o. 240H) (rahimahoellah) zei: “Als je iemand ziet die van Ahmad houdt, weet dan dat het iemand van de Soennah is.”

En Aboel-Hasan al-Ash’arie (o. 324H) (rahimahoellah) zei: “Onze uitspraak die wij hanteren en nemen als onze religie is: Vastklampen aan het Boek van Allah, onze Heer de Machtige en Majesteitelijke; en aan de Soennah van onze Profeet Mohammad (sallallahoe ‘alayhi wa sallam), en wat is overgeleverd van de Metgezellen, de Taabi’oen en de Imaams van Hadieth. Dit is waar we aan vast klampen. En dit is ook wat Aboe ‘Abdillaah Ahmad ibn Mohammad ibn Hanbal altijd zei – moge Allah zijn gezicht verlichten, zijn status verhogen en hem een geweldige beloning schenken. Want hij was de nobele en complete Imaam, met wie Allah de waarheid verduidelijkte en misleiding verwijderde, en de manhadj (methodologie) duidelijk maakte; en waarmee Allah de innovatie van de innoveerders vernietigde, de dwaling van de dwalers en de twijfel van de twijfelaars. Dus moge Allah genadig met hem zijn, de voornaamste Imaam.” [3]

Taadjoed-Dien as-Soebkie (o. 770H) (rahimahoellah) zei: “Aboel-Hasan al-Ash’arie is de voornaamste van Ahloes-Soennah en Ahmad ibn Hanbal…” [4]

Ibrahiem al-Harbie (o. 285H) (rahimahoellah) zei: “Ik zag Aboe ‘Abdillaah, en het was alsof Allah voor hem de kennis van de vroegere en de latere mensen had verzameld.” [5]

Aboel-Fadl zei: “En hij presenteerde me het volgende testament:

In de Naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle,

Dit is wat ik – Ahmad ibn Mohammad ibn Hanbal – als testament nalaat. Ik getuig dat niets het recht heeft aanbeden te worden, behalve Allah alleen, zonder enige deelgenoot. En dat Mohammad Zijn dienaar en Boodschapper is. Hij zond hem (sallallahoe ‘alayhi wa sallam) met de leiding en de ware Religie, zodat het alle andere religies zal overnemen, zelfs al zouden de ongelovigen er een hekel aan hebben. En hij moet degenen die hem gehoorzamen van zijn familie en naasten adviseren dat zij Allah aanbidden als aanbidders, en Hem prijzen als degenen die prijzen, en dat zij de gemeenschap van Moslims oprecht adviseren. En ik ben waarlijk tevreden met Allah als Heer en met Mohammad (sallallahoe ‘alayhi wa sallam) als Profeet.

En ‘Abdoellah ibn Mohammad, algemeen bekend als Boeraan, ik gaf hem vijftig Dinar, en hij is waarachtig in wat hij zegt. Dus zijn geld moet betaald worden door mij, van de opbrengst van het huis, in shaa Allah. En als ik sterf, zal het door mijn zoons worden gegeven: Saalih en ‘Abdoellah ibn Ahmad ibn Mohammad ibn Hanbal. Dus zij zullen na mijn dood al het genoemde en elf Dirham geven aan wat ik dan ook heb voor Ibn Mohammad.

Getuigen: Aboe Yoesoef, Saalih en ‘Abdoellah, zoon van Ahmad ibn Mohammad ibn Hanbal.”


Aboel-Fadl zei: “Hij was gewoon zichzelf in te spannen in het vasten en hij at geen vet. En als ik daarvoor voor één dirham vet voor hem kocht, dan at hij daar een maand van. Dus hij onthield zich van het eten van vet. Ook volhardde hij in het vasten en werken, en ik dacht dat hij dit zijn lichaam liet ondergaan omdat hij veilig was.”

“Mijn vader werd in het jaar 237H naar al-Moetawakkil gedragen en daar bleef hij tot het jaar 241H. Hij was daar niet lang toen een boodschapper van al-Moetawakkil naar hem kwam. Het was de eerste dag van Rabie’oel-Awwal in het jaar 241H, dat mijn vader op dinsdagavond werd getroffen door een koorts. Dus ik kwam bij hem binnen op woensdag en hij was koortsachtig en zwaar ademend. Ik wist van zijn ziekte toen hij zwak werd. Dus ik zei tegen hem: O vader, waarmee verbrak u uw vasten gisteravond? Hij zei: Met water, en daarna wilde ik het nachtgebed in acht nemen. En hij zei: Neem mijn hand, dus ik nam zijn hand. Hij kwam op een lege plek en zijn benen werden zwak, totdat hij tegen mij aan moest leunen. Hij werd door meer dan één arts behandeld, zij waren allen Moslims. ‘Abdoer-Rahmaan zei tegen hem: Je zou een pompoen moeten opwarmen en het sap ervan moeten drinken, en dit gebeurde woensdag. En hij was vrijdag stervende, en hij zei: O Saalih! Ik zei: Tot uw dienst. Hij zei: Warm niets op bij jou thuis, noch bij je broer ‘Abdoellah thuis.
Al-Fath ibn Sahl kwam binnen om hem te bezoeken, dus ik verstopte hem. En ‘Alie ibnoel-Ja’d en vele andere mensen kwamen, dus ik verstopte hem. En ik zei: O vader, de mensen zijn inderdaad veel. Hij zei: En wat vind jij gepast? Ik zei: Om je toestemming voor hen te vragen, en hen vervolgens naar jou te roepen. Hij zei: Zoek de hulp van Allah in het kiezen. Dus de mensen kwamen in grote getale naar hem, totdat het huis gevuld was. Zij vroegen hem en deden een beroep op hem en dan gingen zij, en kwam er een andere grote groep binnen. De mensen waren veel, en de straat was gevuld, en toen sloten we de deur. En er kwam een man van onder onze buren, dus hij bezocht hem en hij zei: Waarlijk, ik heb deze man iets van de Soennah zien herleven, dus ben ik blij geworden. Dus hij kwam bij hem en hij deed een beroep op hem en richtte zich tot hem en alle Moslims. En een man kwam, en hij zei: Zou je zo vriendelijk willen zijn me toe te staan om naar hem te gaan? Dus ik zei: Blijf aandringen totdat hij zegt: kom binnen. Dus ik stond hem toe binnen te komen, en hij stond voor hem en begon te huilen. Hij zei: O Aboe ‘Abdillaah. Ik was van onder degenen die jouw mishandeling bijwoonden. Dus ik ben inderdaad naar je gekomen omdat ik graag vergeven zou willen worden. En ik sta voor je, en als je het gepast vindt me te bevrijden, doe dat dan. Hij (al-Imaam Ahmad) zei: Ga je ermee akkoord daar niet tot terug te keren? Hij zei: Ja. Hij (al-Imaam Ahmad) zei: Waarlijk, ik vergeef je. Dus hij vertrok huilend en wie van onder de mensen achterbleef, huilde ook.”
[6]

En Ibn Doerah zei: “Ahmad was een persoon van fiqh, memorisatie en kennis van hadieth en fiqh, en vroomheid en zoehd[7] en geduld. Inderdaad werd Ahmad beproefd door de uitspraak van de schepping van de Qor-aan[8] . Hij werd geketend naar Baghdad gebracht en opgesloten. Hij bad gewoonlijk met de gevangenen terwijl hij geketend was. En toen de Ramadan kwam in het jaar 217H, en dat was veertien jaar na de dood van al-Ma’moen, verhuisde hij naar het huis van Ishaaq ibn Ibrahiem, de gouverneur van Baghdad. Toen verordende al-Moe’tasim de vrijlating van al-Imaam Ahmad na zijn bestraffing en debat. En er is gezegd dat al-Moe’tasim berouwvol was en verbijsterd totdat de zaak was gerectificeerd. Toen verenigden al-Moe’tasim en zijn zoon zich met al-Waathiq. Daar verscheen wat er verscheen van de beproeving, en al-Waathiq beval dat hij niet met al-Imaam Ahmad moest omgaan, noch zou hij moeten wonen in een land of stad waar de Khalief is. En de Imaam heeft zich voor de rest van zijn leven schuil gehouden voor al-Waathiq.
En gedurende het Kalifaat van al-Moetawakkil, maakte Allah de Soennah zichtbaar. De Khalief schreef het bevel voor de opheffing van het proces. Al-Moetawakkil beval in het jaar 237H dat de Imaam naar hem werd gebracht. En totdat al-Imaam Ahmad stierf, ging er geen dag voorbij, of de boodschapper van al-Moetawakkil zou naar hem komen.
De Imaam stierf in het jaar 241H, op vrijdag de twaalfde van Rabie’oel-Awwal. De mensen schreeuwden en de stemmen werden verheven met huilen, tot het niveau dat het leek alsof de hele wereld beefde. En de trottoirs en straten waren vol. De begrafenisstoet vertrok nadat de mensen vertrokken van het vrijdaggebed. En de mensen op zijn begrafenis vestigden de Soennah en vervloekten de mensen van innovaties. En Allah maakte het makkelijk voor de Moslims door wat zij dan ook aan problemen hadden, zolang zij de majesteitelijkheid en hoge rang van de Islaam zagen, en de onderdrukking van de mensen van dwaling.”
[9]

Bron: The Creed of the four Imaams - Mohammad ibn ‘Abdir-Rahmaan al-Khoemayyis
Vertaald door: Hoedhayfah al-Hollandie



[1] Deze biografie is voornamelijk genomen van Sieratoel-Imaam Ahmad ibn Hanbal, door Saalih ibn Ahmad ibn Hanbal (o. 266H). Zie voor biografieën van Imaam Ahmad: at-Taariekhoel-Kabier (2/5), de Tabaqaat (7/354-355) van Ibn Sa’d, at-Taariekhoes-Saghier (2/375), Tariekhoel-Fasawie (1/212), al-Djarh wat-Ta’diel (1/292-33, 2/68.), Hilyatoel-Awliyaa (9/161, 233), Taariekh Baghdad (4/421), Tabaqaatoel-Hanaabilah (1/4, 20), Tahdhieboel-Asmaa’ wal-Loeghaat (1/110-112), Wafiyyatoel-A’yaan (1/63-65), Tadhkiratoel-Hoeffaadh (2/431), al-‘Ibr (1/435), Tahdhieboet-Tahdhieb (1/22), al-Waafie bil-Wafiyyaat (6/363-369), Maraatoel-Djinaan (2/132), Tabaqaatoesh-Shaafi’iyyah (2/26-36) van as-Soebkie, al-Bidaayah wan-Nihaayah (10/320-343), Ghayaatoen-Nihaayah fie Tabaqatoel-Qiraa’ (1/112), an-Noedjoemoez-Zahirah (2/304-306), Tabaqaatoel-Moefassirien (1/70), Shadharaatoedh-Dhahab (1/96-98.) en Moekhtasar Siyar A’laamin-Noebalaa’ (1/426).

[2] Tadhkieratoel-Hoeffaadh (2/423)

[3] Al-Ibaanah 'an-Oesoelid-Diyaanah (nr. 24) van Aboel-Hasan al-Ash’arie.

[4] Tabaqaatoesh- Shaafi'yyatil-Koebraa (2/250).

[5] De bovenstaande overleveringen zijn genomen van Siyar A’laamin-Noebalaa’ (11/177-358).

[6] Dit gedeelte is genomen en samengevat van het laatste gedeeltde van Sieratoel-Imaam Ahmad ibn Hanbal.

[7] Voetnoot van de vertaler: Zoehd: terugtrekken van het wereldse.

[8] Voetnoot van de vertaler: In de tijd van al-Imaam Ahmad verkeerde een groot deel van de Oemmah (Islaamitische Gemeenschap) in de valse overtuiging dat de Qor-aan geschapen is, terwijl bij Ahloes-Soennah wal-Djamaa’ah de opvatting is dat de Qor-aan het Woord van Allah is en niet geschapen.

[9] Dit gedeelte is genomen van Moekhtasar Siyar A’laamin-Noebalaa’ (1/426-427)


http://www.soennah.com/sierah/ahmad.htm